Home > Algemeen > De ondertekening van een notariële akte door een blinde of slechtziende cliënt
De ondertekening van een notariële akte door een blinde of slechtziende cliënt

De ondertekening van een notariële akte door een blinde of slechtziende cliënt

De ondertekening van de notariële akte door de verschijnende persoon is een belangrijk onderdeel in het proces dat leidt tot de totstandkoming van die akte. De betekenis van het plaatsen van de handtekening kan als volgt worden omschreven: een gedraging die in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als een aanvaarding van hetgeen in die akte is vermeld, aangezien anderen (waaronder de wederpartij en de notaris) ervan uit mogen gaan dat degene die de handtekening onder de akte plaatst, zich met de inhoud daarvan verenigt.

Aan de ondertekening van een notariële akte gaat het nodige vooraf. Op grond van artikel 43 Wet op het notarisambt krijgen de partijen bij de akte en de bij het verlijden van de akte eventueel verschijnende andere personen tijdig van tevoren de gelegenheid om van de inhoud van de akte kennis te nemen. In de praktijk betekent dit dat de bij de akte betrokken partijen tijdig voor de ondertekening van de akte een concept van de akte met een daarbij behorende toelichting krijgen toegestuurd. Tijdens de afspraak, waarbij de akte wordt ondertekend, doet de notaris aan de verschijnende personen mededeling van de (zakelijke) inhoud van de akte en geeft de notaris een toelichting op de akte. Zo nodig wijst de notaris daarbij tevens op de gevolgen die voor partijen uit de inhoud van de akte kunnen voortvloeien. Indien het geen akte betreft als bedoeld in artikel 43 lid 2 Wet op het notarisambt (akte die in tegenwoordigheid van getuigen wordt verleden) en de verschijnende personen verklaren van de inhoud van de akte kennis te hebben genomen en met beperkte voorlezing in te stemmen, dient de notaris een beperkt gedeelte van de akte letterlijk voor te lezen, te weten:
a.  de voornamen, de naam en de plaats van vestiging van de notaris en de datum en de plaats van het verlijden van de akte;
b.  de gegevens van de verschijnende personen en van de partijen;
c.  het slot.

Wil aan de ondertekening de gemelde betekenis van aanvaarding kunnen worden toegekend, dan ligt het voor de hand dat degene die ondertekent zekerheid heeft dat de akte die hij tekent, dezelfde akte is als die hij wil aanvaarden. Voor een cliënt die kan zien is dat geen enkel probleem. De cliënt ziet de notaris immers voorlezen uit de akte dat hem onmiddellijk daarna ter ondertekening wordt voorgelegd. Voor een blinde of slechtziende cliënt is dat anders. Deze zal fysiek gezien wellicht in staat zijn om een handtekening te zetten, maar zonder dat voor hem zekerheid zal kunnen bestaan dat die handtekening staat onder de akte die hij wil aanvaarden en zonder dat voor hem zekerheid zal kunnen bestaan dat voorlezing uit die akte heeft plaatsgevonden.

De vraag is vervolgens of de bijstand van de notaris voldoende vervangende zekerheid oplevert voor de eigen waarnemingen van de blinde of slechtziende cliënt dat hij instemt met het door hem gewenste en door de notaris voorgelezen akte. Het antwoord is: ja. De tussenkomst van de notaris, wiens ambtshandelingen met zoveel wettelijke waarborgen zijn omgeven, levert voldoende zekerheid en vertrouwen op voor de blinde of slechtziende cliënt tegen misbreuk. Eén voorbeeld van die wettelijke waarborgen is de onderworpenheid van de notaris aan het tuchtrecht.

Kan de notaris de blinde of slechtziende cliënt de akte gewoon zelf laten ondertekenen? Of dient dat achterwege te blijven, maar kan de akte worden gepasseerd met inachtneming van artikel 43 lid 4, derde zin Wet op het notarisambt? De notaris vermeldt dan in de akte dat de blinde of slechtziende cliënt verklaart niet te kunnen tekenen wegens diens handicap. De laatstbedoelde weg expliciteert de grotere verantwoordelijkheid van de notaris bij dergelijke passeerafspraken. Dat is wellicht de meest zuivere manier, maar de praktijk waarin de zelf tekent, is ook verdedigbaar. Voor de notaris is niet (altijd) na te gaan in hoeverre de handicap van de blinde of slechtziende cliënt hem belet zelf te constateren of hem de voorgelezen akte daadwerkelijk wordt voorgelegd.

Of hij nu zelf tekent of niet, voor de blinde of slechtziende cliënt ontbreekt de vanzelfsprekendheid die personen zonder handicap hebben, dat zijn handtekening terecht komt onder het document waaruit de voorlezing heeft plaatsgevonden en dus ook onder het document met de door hem gewenste inhoud. Dat is uit een oogpunt van transparantie zwak en misschien wel onvoldoende. De notaris doet er in dergelijke gevallen goed aan de akte in tegenwoordigheid van getuigen te verlijden (artikel 39 lid 2 Wet op het notarisambt), ongeacht of de verschijnende persoon zelf tekent of de vervangende verklaring aflegt van artikel 43 lid 4, derde zin Wet op het notarisambt. Indien er voor wordt gekozen om de akte in tegenwoordigheid van getuigen te verlijden, dient op grond van artikel 43 lid 2 Wet op het notarisambt algehele voorlezing van de akte plaats te vinden.

Het is vreemd dat de Wet op het Notarisambt geen bijzondere voorschriften kent voor een verschijnende persoon die doof, doofstom of blind is. Dat is een omissie.

Bij het passeren van akten voor lichamelijk gehandicapten dient de notaris zich af te vragen wat de optimale hulpmiddelen zijn die bij het proces van passeren dienst kunnen doen. Afhankelijk van de aard van de handicap kan worden gedacht aan de bijstand van een bijzondere tolk, bijvoorbeeld een schrijftolk ingeval sprake is van een slechthorende of dove cliënt.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen