Home > Nalatenschap > Wijziging van de Wet bescherming erfgenamen tegen schulden
Wijziging van de Wet bescherming erfgenamen tegen schulden

Wijziging van de Wet bescherming erfgenamen tegen schulden

De op 1 september 2016 in werking getreden Wet bescherming erfgenamen tegen schulden beoogt personen die een erfenis ontvangen beter te beschermen tegen eventuele schulden van een erflater.

Door deze wet is lid 1 van artikel 4:192 BW als volgt gewijzigd: “Een erfgenaam die zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt doordat hij goederen van de nalatenschap verkoopt, bezwaart of op andere wijze aan het verhaal van schuldeisers onttrekt, aanvaardt daardoor de nalatenschap zuiver, tenzij hij zijn keuze reeds eerder heeft gedaan.”

Naar aanleiding van deze gewijzigde formulering ontstond een briefwisseling tussen de Eerste Kamer en de minister van Veiligheid en Justitie omdat de wijziging mogelijk een foutieve woordkeuze zou bevatten. Uiteindelijk vroeg de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie van de Eerste Kamer de minister om een nadere reactie.

Volgens de Eerste Kamer zou in de plaats van het woord ‘verkoopt’ eigenlijk het woord ‘vervreemdt’ moeten staan. Als het de bedoelding van de wet zou zijn dat het aangaan van een obligatoire overeenkomst kan worden aangemerkt als een gedraging waaruit blijkt dat de erfgenaam zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt, dan zou bijvoorbeeld het sluiten van een overeenkomst strekkende tot de vestiging van een hypotheekrecht op een goed van de nalatenschap buiten het bereik van art. 4:192 lid 1 BW vallen.

Het nieuwe eerste lid van artikel 4:192 BW bevat volgens de minister een open norm: “De hierin genoemde gedragingen beogen te verduidelijken wanneer een erfgenaam met betrekking tot de nalatenschap handelingen verricht die naar algemene maatschappelijke opvattingen verder gaan dan in het kader van een goed beheer van de nalatenschap noodzakelijk is.” Het artikel geeft volgens de minister geen limitatieve opsomming, maar voorbeelden van gedragingen die zuivere aanvaarding van een nalatenschap tot gevolg hebben.

Volgens de vaste commissie beweert de minister ten onrechte dat het verkopen van goederen van de nalatenschap op zichzelf al als een beschikkingshandeling moet worden aangemerkt: “Onder de civielrechtelijke term «beschikken» vallen wel het vervreemden en bezwaren van een goed, maar niet het sluiten van overeenkomsten die daartoe verplichten.”

Als voorbeeld van een correcte formulering noemt de vaste commissie o.a. artikel 1:88 lid 1, onder a, van het BW met betrekking tot de toestemming van echtgenoten voor bepaalde rechtshandelingen.

De bedoeling van de onderhavige wet staat volgens de minister niet ter discussie. Ten behoeve van de rechtszekerheid zal hij echter door middel van een reparatiewet artikel 4:192 BW verduidelijken door terminologisch meer aan te sluiten bij de formulering van artikel 1:88 lid 1, onder a, BW.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen