Home > Nalatenschap > Bijstand en legitieme portie (ook bij overdracht ondernemingsvermogen van belang)
Bijstand en legitieme portie (ook bij overdracht ondernemingsvermogen van belang)

Bijstand en legitieme portie (ook bij overdracht ondernemingsvermogen van belang)

De Financiële Telegraaf bericht: Mijn dochter zit in de bijstand. Wat doe ik met mijn erfenis?

Als notaris krijg ik die vraag vaker voorgelegd. Voor ouders is het vaak lastig om te moeten constateren dat na hun (beider) overlijden de erfenis van een kind dat bijstand geniet eerst moet worden opgegeten vóórdat er weer bijstand verstrekt zal worden. Ouders zijn van mening dat zij niet hun hele leven hard gewerkt en gespaard hebben om met dat geld in de basisbehoefte van hun kind te voorzien, terwijl mensen die geen erfenis krijgen wel gewoon bijstand krijgen. De keuzes die dan ter tafel komen zijn of het kind niet onterfd zou moeten worden of enkel erfgenaam moet worden voor zijn of haar legitieme portie.

Ook zijn er ouders die het ene kind boven de ander wensen te bevoordelen. Die wens komt vaker voor bij een ondernemende ouder die het van belang vindt dat de onderneming door één van de kinderen kan worden voortgezet, waarbij het voortzettend kind qua (objectieve) waarde meer verkrijgt dan de andere(n) om die voortzetting ook reëel mogelijk te maken. Ook in dat geval dient rekening gehouden te worden met de legitieme portie.

Een kind (of eventuele afstammelingen) kan in de nalatenschap van een ouder zich altijd beroepen op een wettelijk minimum erfdeel, de zogenaamde legitieme portie. Deze legitieme portie bedraagt een bedrag in contanten gelijk aan de helft van hetgeen het kind zou hebben verkregen indien de ouder komt te overlijden zonder dat er een testament is gemaakt.
Bij het berekenen van de legitieme portie dient niet alleen rekening te worden gehouden met de goederen en schulden van de nalatenschap, de kosten van de uitvaart en de kosten van de afwikkeling van de nalatenschap, maar op basis van art. 4:67 BW ook met eventuele giften (schenkingen).
De volgende giften dienen in aanmerking te worden genomen:

  • giften gedaan door de ouder om kinderen te benadelen;
  • giften die de ouder te allen tijde had kunnen herroepen;
  • giften die pas worden geëffectueerd bij het overlijden van de ouder;
  • giften aan één van de kinderen; en
  • andere giften, binnen vijf jaar voor uw overlijden.

Schenkingen die een kind van de ouder heeft verkregen, dienen bij de berekening van de legitieme portie in mindering te worden gebracht op het erfdeel van het kind. Een kind heeft de mogelijkheid om aanspraak te maken op zijn legitieme portie binnen een door een belanghebbende (bijvoorbeeld de andere erfgenamen) gestelde redelijke termijn en uiterlijk binnen vijf jaren na het overlijden van de ouder. Het kind heeft als legitimaris recht op inzage in alle bescheiden die voor de berekening van de legitieme portie nodig zijn. De erfgenamen zijn verplicht desverlangd alle inlichtingen daartoe te verstrekken.

Het artikel in De Financiële Telegraaf werd gepubliceerd naar aanleiding van een beschikking van de Rechtbank Limburg (ECLI:NL:RBLIM:2015:8068) aangespannen door het college. Het betrof een erfenis van een ouder die haar dochter had onterfd omdat zij in de bijstand zat, waarbij die ouder de twee kinderen van haar dochter als erfgenamen had aangewezen. Over die erfenis moet wel meer erfbelasting worden betaald (18% of 36% in plaats van 10% of 20%) maar het resterend saldo behoefd niet door de dochter te worden opgegeten. Omdat de dochter als bijstandsontvanger geen beroep op haar legitieme portie heeft gedaan in de nalatenschap van haar moeder wil het college (van burgemeester en wethouders van een gemeente) de kosten van bijstand verhalen op de kleinkinderen op grond van art. 62f aanhef en onder a Participatiewet (PW). In dat artikel is bepaald dat de kosten van bijstand door het college kunnen worden verhaald op degene aan wie de persoon die bijstand ontvangt (of heeft ontvangen) een schenking heeft gedaan. Aangezien de dochter haar legitieme portie niet heeft opgeëist is er volgens het college sprake van een schenking door de dochter aan haar kinderen.
De rechtbank concludeert dat de dochter door geen aanspraak te maken op haar legitieme portie geen schenking verricht jegens haar kinderen en dat het afzien van haar recht evenmin kan worden gezien als een bevoordeling uit vrijgevigheid (welk begrip hetzelfde inhoudt als een schenking). Het college kon de bijstand dan ook niet verhalen op de kleinkinderen.

In het algemeen geldt dat voor het kunnen aannemen van een schenking vereist is dat de schenker, ten koste van zijn eigen vermogen, de andere partij verrijkt. Soms kan er sprake zijn van het nakomen van verplichtingen, bijvoorbeeld die krachtens een natuurlijke verbintenis (dat wil zeggen, dringende verplichting op grond van moraal en fatsoen die juridisch niet afdwingbaar is) en is er geen sprake van schenking. Daarnaast kan er sprake zijn van overdrachten van bijvoorbeeld ondernemingsvermogen tegen een (te) lage prijs, waarin een schenking kan worden gezien. Dit zal evenwel van geval tot geval moeten worden beoordeeld.

Uit het artikel blijkt niet dat het college ook andere mogelijkheden heeft die gevolgen kunnen hebben voor de bijstand ontvangende dochter. Enkel een persoon die “in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege” (art. 11 PW). Blijkens art. 15 lid 1 PW heeft een persoon geen recht op bijstand “voorzover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn”, waarbij onder een voorliggende voorziening wordt begrepen: “elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen”. Voorts wordt in art. 31 PW bepaald dat onder vermogen mede verstaan wordt de waarde van bezittingen waarover men “redelijkerwijs kan beschikken”.

Het college kan een bijstandsgerechtigde (nadere) verplichtingen op leggen die tot doel hebben om de bijstandsverlening te kunnen verminderen of beëindigen, welke verplichtingen worden afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de bijstandsgerechtigde. Als vervolgens die verplichtingen door een bijstandsgerechtigde niet worden nagekomen, dan wel indien een bijstandsgerechtigde naar het oordeel van het college een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont kan het college de bijstand verlagen (art. 55 en art. 18 lid 1 en lid 2 PW). Omdat het daadwerkelijk inroepen van de legitieme portie door de dochter strekt tot beëindiging of vermindering van de bijstand als bedoeld in art. 55 PW, kan het college de verplichting tot het inroepen van de legitieme portie opleggen. Indien de dochter die verplichting niet nakomt kan de bijstand worden verlaagd. Het is vervolgens de vraag wat de (klein)kinderen zullen doen indien het college besluit de bijstand van de dochter te verlagen.

Klaas-Albert Veerbeek
(notaris en EPN estate planner)

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen