Home > Nalatenschap > Volgens Hoge Raad was nuttigen maaltijd toch geen daad van zuivere aanvaarding
Volgens Hoge Raad was nuttigen maaltijd toch geen daad van zuivere aanvaarding

Volgens Hoge Raad was nuttigen maaltijd toch geen daad van zuivere aanvaarding

Eerder schreven wij over de uitspraak van het hof Den Haag van 8 april 2014 waarin werd geoordeeld dat het op kosten van een nalatenschap nuttigen van een maaltijd kan leiden tot zuivere aanvaarding.[1] Op 22 mei 2015 heeft de Hoge Raad het oordeel van het hof vernietigd.

Voor alle duidelijkheid geven wij hierbij nogmaals een omschrijving van de casus en het oordeel van het hof. Op de sterfdag van hun moeder besluiten de erfgenamen (en hun partners) een maaltijd te nuttigen in een restaurant, aangezien zij 1) die dag vanuit het huis van hun overleden moeder de begrafenis en de uitvaart regelen, 2) er op dat moment geen eten of drinken in het huis van hun overleden moeder aanwezig is en 3) zij vanwege het regelen van de begrafenis te ver van huis zijn om bij henzelf thuis een maaltijd te nuttigen. De kosten van de maaltijd groot ad € 119,- worden ten laste van de nalatenschap voldaan. Het hof komt tot het oordeel dat de erfgenamen de gelden van de nalatenschap hebben verbruikt ten eigen behoeve en er aldus als heer en meester over hebben beschikt. Naar het oordeel van het hof hebben de erfgenamen de nalatenschap van erflaatster door hun gedragingen mitsdien zuiver aanvaard. Het gevolg hiervan is dat de erfgenamen verplicht zijn om eventuele schulden van de nalatenschap krachtens artikel 4:184 lid 2 letter a BW uit hun eigen vermogen te voldoen.

Bij zijn beoordeling Hoge Raad voorop dat artikel 4:192 lid 1 BW bepaalt dat een erfgenaam die zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt, daardoor de nalatenschap zuiver aanvaardt. Dit is niet het geval indien hij zijn keuze voor beneficiaire aanvaarding of verwerping reeds eerder heeft gedaan. Het hangt af van de omstandigheden van het geval of uit de gedragingen van een erfgenaam de bedoeling kan worden afgeleid om de nalatenschap te aanvaarden. Als er twee of meer erfgenamen zijn, hangt het in beginsel van de gedragingen van iedere erfgenaam afzonderlijk af of hij de nalatenschap zuiver heeft aanvaard.

Handelingen die erop gericht zijn de erflater een passende uitvaart te bezorgen, strekken er naar hun aard niet toe ten eigen bate over nalatenschapsgoederen te beschikken. Een overleg op de sterfdag als in de hierboven geschetste casus kan hiertoe worden gerekend. Het maken van redelijke kosten daarvoor ten laste van de nalatenschap kan dan niet worden aangemerkt als een daad van aanvaarding. De kosten van een maaltijd als de onderhavige kunnen onder omstandigheden tot zodanige kosten worden gerekend. De hiervoor onder 1-3 genoemde omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de Hoge Raad zonder meer dat de kosten van het nuttigen van de eenvoudige maaltijd worden gerekend tot kosten van de uitvaart. In het licht van die omstandigheden is het oordeel van het hof onjuist. De erfgenamen zijn dan ook niet gehouden de schuld van de nalatenschap uit hun eigen vermogen te voldoen, aangezien zij de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard.

Bart Lotgerink en Annick Schenkenberg van Mierop


[1] Zie ook mr. B.J.M. Lotgerink, “Maaltijd op kosten van de nalatenschap kan leiden tot zuivere aanvaarding”, VFP, maart 2015 nr 3, p.13-16.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen