Home > Erf- en schenkbelasting > Hoge Raad: bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet discriminerend
Hoge Raad: bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet discriminerend

Hoge Raad: bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet discriminerend

Op 22 november 2013 heeft de Hoge Raad in vijf proefprocedures beslist dat de fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteit geen ongeoorloofde discriminatie oplevert. Naar deze arresten werd vol spanning uitgezien. Het gaat hierbij om het heffen van schenkbelasting en erfbelasting. Volgens de Hoge Raad mag de wetgever onderscheid maken tussen het belasten van particulier vermogen en van ondernemingsvermogen.

De arresten vinden hun oorsprong in de uitspraak van de Rechtbank Breda van 13 juli 2012 waarover wij al vaker hebben bericht. In die uitspraak werd geoordeeld dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit een ongeoorloofde discriminatie oplevert. Daarna is dezelfde vraag nog aan andere rechtbanken en gerechtshoven voorgelegd, met wisselende uitkomsten. Daarna zijn vele bezwaarschriften ingediend, en zijn door de Belastingdienst de procedures aangemerkt als een zogenaamd “massaal bezwaar”, waardoor het niet meer nodig werd om in individuele gevallen bezwaar in te dienen.

De Advocaat Generaal concludeerde op 30 september 2013 dat de regeling tot 2010 niet discriminerend was, maar de regeling vanaf 2010 wel een ongeoorloofde discriminatie inhield. Velen hadden verwacht dat de Hoge Raad dit advies zouden volgen, maar door de arresten van 22 november 2013 is duidelijk geworden dat de Hoge Raad zijn eigen koers heeft gevaren.

Hoge Raad De Hoge Raad heeft getoetst of de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in strijd is met het discriminatieverbod. Uit Europese rechtspraak volgt dat er alleen sprake is van discriminatie indien het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of indien er geen redelijke verhouding bestaat tussen de regeling en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel. Volgens de Hoge Raad heeft de wetgever heeft met de genoemde faciliteit een oplossing willen bieden voor in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij bedrijfsopvolging, bijvoorbeeld in geval van liquiditeitsproblemen waardoor de continuïteit van ondernemingen in gevaar kan komen. Daarnaast is de faciliteit bedoeld om het ondernemerschap in het algemeen te stimuleren. De faciliteit berust dus op een keuze van de fiscale wetgever waarvan niet kan worden gezegd dat zij evident van redelijke grond is ontbloot. Hieruit kan volgens de Hoge Raad worden opgemaakt dat de wetgever verschil mag maken tussen het belasten van ondernemingsvermogen en het belasten van particulier vermogen. De Hoge Raad komt vervolgens tot de slotsom dat er geen sprake is van bevoordeling van de verkrijging van ondernemingsvermogen boven de verkrijging van overige vermogensbestanddelen. Er kan daarom niet worden gesproken van discriminatie.

Op het Ministerie van Financiën zal na de arresten opgelucht adem zijn gehaald. Reparatiewetgeving lag al klaar, maar kan in de la blijven. De budgettaire gevolgen van een andersluidende uitspraak van de Hoge Raad hadden naar verluid kunnen oplopen tot €500 miljoen.

Ton Lekkerkerker

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen