Home > Erf- en schenkbelasting > Andere rechtbanken dan rechtbank Breda vinden niet dat BOF-faciliteit discrimeert
Andere rechtbanken dan rechtbank Breda vinden niet dat BOF-faciliteit discrimeert

Andere rechtbanken dan rechtbank Breda vinden niet dat BOF-faciliteit discrimeert

We schreven al eerder over de geruchtmakende uitspraak van de rechtbank Breda van 13 juli 2012. In deze uitspraak oordeelde de rechtbank dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (“BOF”) van de successiewet ook van toepassing kan zijn op de vererving van niet-ondernemingsvermogen.

De uitspraak heeft tot veel commotie geleid. Zo werden door de belastingdienst tienduizenden bezwaarschriften verwacht. Om die stroom in te dammen, heeft de staatssecretaris van Financiën de bezwaarschriften aangemerkt als “massaal bezwaar”, waardoor het niet nodig meer is om een bezwaarschrift in te dienen.

Inmiddels ligt de uitspraak van de rechtbank Breda bij de Hoge Raad voor een definitief oordeel. Het is nog niet bekend wanneer de Hoge Raad arrest zal wijzen.

Ondertussen is ook aan andere rechtbanken de vraag voorgelegd of de BOF een ongeoorloofde discriminatie oplevert.

De rechtbank Arnhem heeft op 1 november 2012 overwogen dat het gaat om de doelstelling van de regeling. De doelstelling is het bieden van een oplossing voor gevallen waarin bedrijfsopvolging wordt bemoeilijkt doordat bij het vererven van ondernemingsvermogen successie- of  schenkingsrecht moet worden voldaan. De rechtbank komt tot de conclusie dat gelet op de duidelijke bewoordingen van de wettelijke regeling en de bijbehorende wetsgeschiedenis geen recht bestaat op de BOF. Het vererven van privé vermogen en ondernemingsvermogen zijn geen gelijke gevallen.

De rechtbank Haarlem komt op 14 december 2012 tot dezelfde conclusie. De rechtbank overweegt dat doel van de BOF is te voorkomen dat het voortbestaan van een onderneming in gevaar komt doordat ondernemingsvermogen te gelde moet worden gemaakt teneinde het over het verkregen ondernemingsvermogen verschuldigde successie- of schenkingsrecht te voldoen. Vanuit een oogpunt van werkgelegenheid en economische diversiteit achtte de wetgever een zodanig risico niet aanvaardbaar. Bij niet-ondernemingsvermogen (privévermogen of beleggingsvermogen) is dit risico niet aan de orde. Gelet op voornoemd doel zijn volgen de rechtbank in Haarlem ondernemingsvermogen en niet-ondernemingsvermogen niet als gelijke gevallen te beschouwen. Van een schending van het gelijkheidsbeginsel is derhalve geen sprake.

Het blijft spannend, via deze pagina houden we u op de hoogte.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen